T.a.v. Meesters C.N.M. Cees Dekker en Piet Noë - toegezonden per brief en per fax, en terug te vinden op volgende link van

http://mijnz.org/schiphol : http://mijnz.org/schiphol/definitief.htm


BETREFT : zaak Nederlandse Staat tegen Siegfried Verbeke



DEFINITIEVE BESLUITEN
opgemaakt door Siegfried Verbeke (Cel R 05 P.I. Midden Holland, Nederland)





STELLING :

De overlevering wordt betwist omdat

- de overleveringswet in strijd is et de grondwet én het ECRM, en

- de overlevering sowieso niet rechtmatig is.





HOOFDSTUK I

Grondwet en ECRM

Ik beschik niet over de tekst van de Grondwet, maar ga ervan uit dat deze in essentie overeenkomt met de Duits Grondwet.

1. - Deutsches Grundgesetz DGG Art. 16 : " Deutsche Staats-angehörige sind vor Auslieferung geschützt".

2. - DGG Art. 103 : "Ein Tat kann nur wereden bestraft, wenn die Strafbarkeit gesetzlich bestimmt war".

3. - DGG Art. 19 : "Rechtsschutz gegen Akte der öffentlichen Gewalt".

4. - EVRM Art. 6 : Presumptio Innocentiae.

5. - EVRM Art. 6.1 : Iedereen heeft recht op een eerlijk proces.






1.

Dit grondrecht is één der hoekstenen van een democratische samenleving. Tot de implementatie van het raambesluit was dit grondrecht onbeperkt. (64)

Dit grondrecht is niet alleen een vrijheidsrecht, maar gaat uit van de verantwoordelijkheid van de Staat t.o.v. haar onderdanen.

Het doel is niet de betrokkene te ontrekken aan de bestraffing.


Het is eerder de bedoeling de burgers te beschermen tegen hun wil te worden onderworpen aan de rechtspraak van een vreemd land met andere taal en gebruiken, een onbekend rechtsysteem in moeilijke en niet-transparante constellaties. (65)


DGG Art. 6 is een logische uitdrukking van de natuurlijke band tussen de burgers en het rcehtsysteem dat door henzelf werd opgebouwd en wordt geschraagd.

Dit houdt in dat de burgers in principe niet kan worden uitgesloten uit deze rechtsbedeling en uit de gemeenschap..

Het vertrouwen van de burger in de zekerheid van zijn verblijf in de Staat, wordt door het Volkenrecht erkend.

Staten hebben de grondwettelijke plicht hun onderdanen op te nemen. (. . . ) (66) (67)

Dit grondrecht is van eerste rang.


Het wordt bevestigd door de ervaringen van het recente verleden (nationaal-socialisme - Joodse exodus).

Dit grondrecht is geen vrijbrief voor het begaan van misdrijven in het buitenland. Het Strafrecht strekt zich ook uit tot daden in het buitenland. (68)

Dit grondrecht kan beperkt worden sinds de Wet ter verandering van de grondwet van 29/11/2000, maar onder bepaalde voorwaarden. (69)


Maar de wetgever mag niet onbeperkt afwijken van Art. 16. (76)

Volgens Art. 16, 2, 2 kan uitlevering toegelaten worden, wanneer de grondprincipes van de rechtstaat verzekerd zijn. (77)

De wetegever moet dus toetsen of de uitleveringsvragende Staat voldoende deze grondprincipes waarborgt. (77)

Bij implementatie van het kaderbesluit moet de wetegever deze beperking inbouwen. (vrij vertaald) (78)


De internationale bevoegdheid moet steeds subsidiair zijn. Iedere Staat moet de mogelijkheid behouden uitlevering van één van haar ondedaen af te wenden door een eigen nationale strafvervolging in te stellen. (72


De wetgever moest er zorg voor dragen dat de implementatie restrictief is t.o.v. het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie.

De grondwet vereist dat bij een uitleveringsverzoek ieder geval op zich onderzocht wordt en toe te zien dat de rechten van de betrokkene gewaarborgd worden.

De wetgever is hierin tekortgeschoten.


De Nederlandse wetgever heeft het kaderbesluit niet restrictief omgezet.




Art. 5.3. van dit besluit voorziet in strafuitvoering in het eigen land. (90)

Deze verbintenis werd in de Nederlandse wet niet opgenomen, mar komt enkel in aanmerking wanneeer Art. 26.3. van toepassing is.

Bovendien laat de ederlandse overleveringswet de overledering toe, louter wanneer er een vermoeden van schuld bestaat (Art. 7,1,a,1e.)

Dit is excessieve uitholling van DGG, Art. 16.


2. DGG Art. 103, 2 - Rückwirkungsverbot.

Een daad kan pas bestrafd worden, wanneer de strafbaarheid wettelijk is vastgelegd.

Zonder betrouwbare oriëntatie is geen individuele vrijheid mogelijk.

Wie rekening moet houden met niet voorziene wetgeving met terugwerkende kracht en met veranderde bestrakkingsnormen, heeft geen vrijheid van handelen of rechtszekerheid meer.

Het verbod op wetgeving met terugwerkende kracht geldt niet alleen voor de veranderingen van het materiële strafrecht, maar ook voor het Procedurerecht, dat eraan moet worden gelijkgesteld worden. (. . . ?) > ingveing 30.4.2004 (99)




3. De overleverringswet biedt geen mogelijkheid tot beroep, en is hierdoor in strijd met het ECRM Art. 6 en DGG Artk. 19, 4 en de Nederlandse Grondwet en Strafrecht. (102) (103)




4. Art. 26, 4 van de Nederlandse overleveringswet is in strijd met het ECRM Artikel 6 omdat niet wordt uitgegaan van het vermoeden van onschuld en de bewijslast omgekeerd wordt.




5. ECRM Art. 6, 1 warborgt het recht op een eerlijk proces. (110 e.v.)

Een rechtbank mag niemand uitleveren louter op basis van een vermoeden van onschuld.

Een eerlijke rechtsbedeling vereist op zijn minst dat alle akten en proceskosten aan de rechtbank ter beoordeling voorgelegd worden. De Nederlandse overleveringswet Art. 2 blijft hierbij in gebreken.










HOOFDSTUK 2

De overlevering is niet rechtmatig.




A. Onontvankelijk

Het Duitse A.B. en overleveringsverzoek is onontvankelijk, gezien het Bundesverfassungsgericht op 18.7.2007 de Duitse Invullingswet van 21.7.2004 (Bundesgesetzblatt 1, Blz. 1748) heeft nietig verklaard.



B. Ongegrondheid op basis van de Nederlandse wet van 29.4.2004 ter implementatie van het kaderbesluit van de E.U. betrekkende het EAB.


- Art. 2, 1

"Een EAB kan slechts worden afgegeven wegens feiten" : het dossierbundel bevat geen feiten-materiaal.

- Art. 2, 2, d)

"Het EAB moet de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbaar feite bevatten" : het bundel bevat aard en kwalificaties, maar geen verwijzing naar strafbare feiten.

- Art. 2, 2, e)

". . . een beschrijving van de omstandigheden, tijdstip, plaats en mate van betrokkenheid, waaronder de feiten zijn gepleegd" ontbreekt volledig.

Het ontbreken van deze gegevens maakt een eerljk proces ipso facto onmogelijk.

- Art. 7, 1, a) 1e

". . . een benomd strafbaar feit" ontbreekt.

Vast staat dat betrokkene zich niet aan informatie criminaliteit, noch aan racisme en/of vreemdelingenhaat heeft schuldig gemaakt. En zeker niet werd anagetoond.

De levenspartner van betrokkene is een allochtone.

De overleveringswet gaat in op 20.4.2004 : de beschuldiging heeft betrekking op "feiten" daterend voor 30.4.2004.

Zie uitspraak Bundesverfassungsgericht onder (98) en (99).

- Art. 9, 1, c)

"Overleving is niet toegestaan wanneer betrokkene naar het recht van een andere lidstaat niet meer kan worden vervolgd tengevolge van een onherroepelijke beslissing"

Dit is het geval in België : zie dossier Mr. Piet Noë.




Art. 9, 1, e)

Zelfde opmerking.

- Art. 11

"Overlevering is niet toegestaan bij gegrond vermoeden van flagrante schending van fundamentele rechten"

Duitsland baseert het uitleveringsverzoek op basis van een wet die nietigverklaard is zodat dit verzoek geen rechtsgrond meer heeft alsook alle mogelijke gevolgen.

Mogelijke uitlevering staat dan gelijk met kidknapping waardoor Duitsland dan ook Art. 5, 1 miskent in verband met de vrijheid van de persoon.

Er bestaat hierdoor ook een gegrond vermoeden dat Duitsland ook in de toekomst zich zou kunnen schuldig maken aan verdere schendingen.

- Art. 13, 1, a)

"Overlevering wordt niet toegestaan indien het strafbaar feit geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd."

Volgens het uitleveringsverzoek werden de "feiten" wereldwijd gepleegd, dus ook in Nederland.
- Art. 13, 1, b)

". . . niet toegestaand indien feiten buiten Duitsland zijn gepleegd, terwijl naar Nederlands rechts geen vevrvolging kan worden ingesteld, indien het feit buiten Nederland zou zijn gepleegd."

Nederland kan wel vevrolgen voor feiten gerelateerd met racisme en xenofobie. (??)

- Art. 14, 1

" . . . niet toegestaan, tenzij onder beding dat de persoon niet zal worden vervolgd terzake van feiten die voor het tijdstip van zijn overlevering zijn begaan en waarvoor hij niet is uitgeleverd."

Aan dit beding is niet voldaan, gezien nietigheid van de Duitse wet.

Aan dit beding kan evenmin worden voldaan gezien er geen duidelijke omschrijving der feiten vermeld is.

- Art. 14, 2 en Art. 14, 4 : zelfde bezwaar.

- Art. 20, 2

"Een EAB kan slechts in aanmerking komen indien het voldoet aan artikel 2."

Quid non, aangezien in tijd en plaats geen nauwkeurig omschreven feiten in de bundel vermeld zijn.

- Art. 24, 3

"De rechtbank geeft last tot toevoeging van een raadsman."




De betrokkene heeft zich noch kunnen laten verdedigen door een advocaat naar zijn keuzen, noch werden hem de van toepassing zijnde Nederlandse en andere wetgevingen ter hand gesteld, en noch kreeg hij de tijd deze te onderzoeken.

Hierdoor zijn de rechten van de verdediging geschonden en vormt dit een flagrante inbreuk op het ECRM Artikel 6, 3, b) en c).

- Art. 25, 3

"Bij zijn verhoor kan de persoon zich door zijn raadsman laten bijstaan." : zelfde opmerkingen als hierboven onder 24, 3

Art. 26, 3, f)

". . . rekening houdend met de mogelijkheid van een strafuitzetting en terug te beschikkingstelling . . ."

Wellhct niet van tel, gezien er geen meerdere Europese aanhoudingsbevelen zijn . . . (?)

Art. 26, 4

"De opgeeiste person die beweert niet schuldig te zijn, dient dit tijdens zijn verhoor aan te tonen en de rechtbank dient deze bewering te onderzoeken."

Betrokkene beweert onschuldig te zijn aan de ten laste gelegd "feiten".

Art. 29, 2

In het belang van de wet wordt bereop in cassatie aangetekend.

Art. 30, 1 : Reeds besproken.